Slider

Democartisch burgerschapKinderrechten en inclusief democratisch burgerschap binnen pedagogische voorzieningen voor jonge kinderen (0-12 jaar)
Sinds september 2017 doet Christel Eijkholt promotieonderzoek naar kinderrechten en democratisch burgerschap binnen voorzieningen voor jonge kinderen in Nederland: kinderopvang, peuterspeelzalen, BSO en zijdelings het primair onderwijs. Dit - mede door Het Kinderopvangfonds ondersteunde - project loopt af in 2021. De voorlopige resultaten onderbouwen het belang van een zorgvuldige benadering en pedagogische inbedding van enkele essentiële kenmerken van kinderrechten en burgerschap, zoals kinderparticipatie, vrije ruimte, en democratische conflicthantering.

Wereldwijd neemt het besef toe dat kinderen vanaf de geboorte al een actieve rol spelen in de samenleving, mede gestimuleerd door de kinderrechtenbeweging. Burgerschap en ‘life skills’ zijn hiervoor essentieel. Maar dat klinkt vaag. Wat zijn nou de belangrijkste kenmerken van deze abstracte begrippen, en welke zijn voor (jonge) kinderen essentieel voor hun welbevinden en ontwikkeling? En zoals emeritus-hoogleraar Micha de Winter steeds herhaalde: “Democratie is niet vanzelfsprekend en creëert of repliceert zichzelf niet spontaan”. In internationaal en nationaal beleid wordt steeds meer erkend dat kindercentra unieke plekken zijn om op jonge leeftijd rechten, verantwoordelijkheden en een democratische manier van omgaan met elkaar te beoefenen.

Het onderzoeksproject van Christel had als doel bij te dragen aan een discours van empowerment van (jonge) kinderen als actieve eigenaar en speler ten behoeve van hun eigen ontwikkeling, en de ontwikkeling van de groep of gemeenschap.

Het onderzoek heeft een aantal boeiende inzichten opgeleverd. Kinderparticipatie komt uit internationale (beleids)documenten naar voren als een centraal concept van een kinderrechten- en burgerschapsbenadering. De Europese Commissie benoemt dit bijvoorbeeld expliciet. In Nederland is het belang hiervan nog relatief onbekend en komt het nauwelijks terug in wetgeving en richtlijnen voor voorzieningen voor jonge kinderen. Ook de kinderopvangpraktijk maakt nog (te) weinig gebruik van echte kinderparticipatie, en zet kinderen zelden - of niet op effectieve wijze - in als expert op het gebied van de eigen ontwikkeling en dat van de groep. En dat is jammer!

Het onderzoek laat zien, dat als kinderparticipatie goed is ingebed in organisatie, in pedagogisch beleid, procedures en de dagelijkse praktijk, het heel veel kan opleveren. Een directe en structurele vorm van kinderparticipatie draagt bij aan uitkomsten op kindniveau, zoals welbevinden, betrokkenheid en sociale interacties. Dit hebben we kwantitatief en statistisch onderbouwd, en dit verband is het meest zichtbaar op de peuterleeftijd.

Door kinderen binnen dit onderzoek ook te laten meedoen, meedenken en meepraten laten we verder zien wat dit kwalitatief en concreet kan opleveren voor organisatie, beleid, praktijk en het kind zelf. Kinderen geven aan dat ze zichzelf willen herkennen in de ruimte en ook hoe ze dat graag zien, dat ze graag hun grenzen verkennen en hoe ze dat graag zien en ook dat ze heel graag willen bijdragen aan ‘het grotere geheel’.

Wat breder richting de algemene pedagogische context (‘it takes a village to raise a child’) laat dit onderzoek tevens zien wat een gestructureerde aanpak kan opleveren voor het groepsklimaat, ouderparticipatie, de situatie thuis en de wijk. Van belang hierbij zijn herhaling, herkenbare symbolen, geleidelijke overdracht van verantwoordelijkheden en eigenaarschap naar kinderen en een gemeenschappelijke taal.

Een deel van de resultaten is gepubliceerd als integraal onderdeel van de rapportages in het kader van het Europese onderzoeksproject ISOTIS (‘Incusive Education to tackle Inequalities in Society’) op http://www.isotis.org

Voor meer informatie: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Onderzoeker: Christel Eijkholt
Begeleiding: Paul Leseman, Martine Broekhuizen
Universiteit Utrecht